Venlo deel 1

Vanuit het station schuin het Koningin Julianaplein oversteken naar de Keulse Poort. Auto’s kunnen dit plein niet oprijden, er staan afsluitende paaltjes.

KEULSE POORT
Ooit een van de vier stadspoorten waar echter geen spoor meer van te bekennen valt. De lange muur van het eerste gebouw dat je rechts ziet probeert nog iets van de oude stadsmuur op te roepen. Naast deze Keulse poort waren er de Roermondse Poort, de Maaspoort en de Gelderse Poort. Deze laatste poort lag aan de weg naar Geldern een stad die nu in Duitsland ligt op zo’n 20 kilometer van V’enlo, maar op slechts 7 km van de Nederlandse grens.
Lange tijd was Geldern de hoofdstad van een gelijknamig hertogdom, waartoe ook Venlo behoorde.

JOCUSHAAN
Keulse Poort.
Meteen ontdek je al een hoog oprijzend luchtig beeld van een haan. Het symbool van het Venlose carnaval,  geëntameerd door het Venloosch vastelaoves Gezelschap Jocus.

Een fiere haan bovenop een scepter, in november 2019 gerealiseerd door kunstenaar Rik van Rijswick. Hij werkte goeddeels met restafval van Venlose bedrijven uit de maakindustrie. Centraal het kloppende hart van Jocus, wat staat voor kracht, moed en verbondenheid, maar ook voor kwetsbaarheid. Welkom in Venlo !

In deel 3 van de wandeling kom je die haan nogmaals tegen, minder luchtig, maar aaibaarder.

Meteen links voor je zie je een museumgebouw.

LIMBURGS MUSEUM
Keulse Poort.
Links voor het eigenlijke museum zie je een ronde luifel, die je doet denken aan een tankstation. En dat klopt helemaal, het is een restant van het oudst bewaarde Nederlandse tankstation uit 1933. Toen tankte je bij de American Petroleum Company, vandaag zou dat Esso zijn.

Dit museum vertelt het verhaal van Limburg aan de hand van gebruiksvoorwerpen – waaronder keuken-spulletjes uit de tijd van 1830 tot 1930, archeologische vondsten, kunstnijverheid en geschiedkundige gebeur-tenissen. Dat alles in wisselende tentoonstellingen.

Aanvankelijk gebeurde dat elders in Venlo, maar sinds 2000 in dit nieuwe museumgebouw van architecte Jeanne Dekkers.

Zie je die twee beeldjes voor het museum ?

VALUAS EN GUNTRUD
Dit echtpaar zou Venlo gesticht hebben rond 96 na Christus. Hij was de legendarische leider van de Bructeren, die zich aan de Maasoever gevestigd hadden rond een versterking, de Vrijburg.
Al sinds de middeleeuwen stappen Flujas – zoals
ze Valuas in het Venlo’s noemen – en zijn gade in allerlei stoeten mee als de lokale reuzen. Nu niet langer bij processies, maar bij feesten van het Akkermansgilde, een schutterij die reeds sinds 1594 actief is.
Maar Venlo heeft zijn ontstaan eigenlijk niet te danken aan Valuas en Guntrud, het is eerder omgekeerd. Zelf danken ze hun bronzen bestaan hier aan Hay Mansvelders.

Even verderop aan de Deken van Oppensingel zie je weer iets totaal anders.

SQUARE KNOT
Zeg maar de Knoop. Knopenlegger van dienst was
Shinkichi, een kunstenaar die wereldwijd zijn knopen in allerhande materialen neerplantte. Veel uitleg leek hem overbodig, de toeschouwer mocht er zijn eigen betekenis aan, tja, vastknopen.

Wandel wat verder naar dat grote oudere gebouw, dat vandaag een nieuw museum huisvest.

MUSEUM VAN BOMMEL VAN DAM
Keulse Poort
Boven de hoofdingang zie je de Nederlandse wapenspreuk Je Maintiendrai ofwel ‘ik zal handhaven’. Die hoort bij het verleden van dit gebouw, sinds 1941 het Venlose stadspostkantoor. Wie ooit in Den Haag in het Nederlandse miniatuurstadje Madurodam is geweest, heeft daar dit postkantoor in miniatuur kunnen bekijken.
Links en rechts in witte natuursteen de vroegere Venlose stadspoorten en de wapens van het hertogdom Gelder en de stad Venlo.

Kijk eerst even naar de zijgevel aan de Deken van Oppensingel. Daar zie je drie reliëfs van historische lokale personages.

DRIE BEROEMDE KOPPEN
Deze door Charles Vos gebeeldhouwde hoofden behoren toe aan mannen die status van beroemde Venlonaren hebben verworven omwille van de carrière die ze in de 16de eeuw hebben gemaakt. Maar dat gebeurde niet hier ter plaatse, ze zorgden dat ze snel wegkwamen uit hun geboortestad.
De linkse ging naar Antwerpen, de middelste naar Londen en de rechtse naar Leuven en Milaan. Allemaal plekken waar carrièreladders beklommen konden worden in de dagen dat zoiets in Venlo nog amper mogelijk was.

Maar het is goed dat ze hier worden herinnerd, want in hun carrièresteden is de concurrentie met andere beroemdheden dusdanig dat je daar hun namen nooit zal horen noemen bij de lokale helden.

What’s in a name ?
Twee van hen vertaalden hun namen in het Latijn.
Michaël Mercator heette gewoon Michèl de Cremer en Erycius Puteanus was in feite Erik van der Putte.
En Hubert Goltzius? Diens vader heette eigenlijk van
Würzburg, maar had de naam Goltzius overgenomen van zijn vrouw Catharina Goltzius. Zij had familie-banden met Gelderse kunstenaars die al enige bekendheid genoten, dus dat klonk voornamer. In zo’n geval was het overnemen van je vrouws achternaam hier niet ongebruikelijk. 
En sterker nog, geen van deze drie zou zich ooit Limburger hebben genoemd, want die naam bestond nog niet, ze waren Geldersen, afkomstig uit het hertogdom Geldern.

Maar waarom hangen ze hier zo broederlijk bijeen, terwijl ze elkaar vermoedelijk nooit ontmoet hebben?

Hubert Goltzius 1526-1583) maakt in Antwerpen naam als kenner van munten en penningen. Rijkelui hadden thuis zo’n verzameling en toonden die graag aan belangrijke gasten. Hubert gaat er boeken over uitgeven, waarin de afbeeldingen op die munten gekoppeld worden aan stukjes geschiedenis.

Michaël Mercator (1491-1544) maakt muziek-instrumenten en is goud- en zilversmid. Hij treedt in dienst van de Engelse koning Hendrik VIII, de man van zijn vele vermoorde vrouwen. Als diplomaat heeft Michaël misschien nog mee onderhandeld over Hendriks huwelijk met Anna van Kleef. Hij wordt in elk geval door Henry tot knight (ridder) geslagen.

Erycius Puteanus (1574-1646) krijgt als zoon van een Venlose burgemeester een gedegen opleiding, beginnend met Latijnse School in het welvarende Dordrecht – niet meteen naast de deur maar wel via de Maas bereikbaar in die nog autoloze tijd – om vandaar naar Keulen en Leuven verder te gaan in de studie-richting Wijsbegeerte. Daarbij krijgt hij in Leuven les in oude geschiedenis van een beroemde naam: Justus Lipsius – zeg maar Joost Lips.
Daarna start hij zijn eigen carrière in Italië, waar hij in Milaan hoogleraar Welsprekendheid wordt en geschiedschrijver van de Spaanse koning Filips II. Dan gaat Eriks levensweg weer terug naar Leuven om er Lipsius op te volgen als leraar Latijn en Nederlands. Met zijn Italiaanse vrouw en hun veertien kinderen wonen ze daar in het kasteel op de Keizersberg.

Wie waren de naamgevers van dit museum?

VAN BOMMEL EN VAN DAM
Maarten van Bommel en zijn vrouw Reina van Dam wonen in Venlo en hebben als gezamenlijke hobby het verzamelen van moderne Nederlandse schilderkunst van na 1945. Je wilt natuurlijk genieten van zo’n verzameling en die aan vrienden en kennissen laten zien. Met postzegels, juwelen of munten is dat niet zo’n probleem, met schilderijen kom je al snel muren tekort in je huis.

Het echtpaar lost dat op door hun collectie te schenken aan de stad Venlo, op voorwaarde dat die er een tentoon-stellingsruimte voor bouwt met een eigen toegang voor de schenkers, zodat ze er zelf of met gasten naar kunnen gaan kijken wanneer ze willen.

Nu heeft Venlo weliswaar al zijn Limburgs Museum, maar dat is eerder een heemkundige verzameling, terwijl een kunstmuseum een stad toch meer cachet geeft en bezoekers kan trekken waar ook de rest van de stad profijt van kan hebben. Dus wordt het een ‘ja’ en komt er een Stichting van Bommel van Dam en mag architect Jos van Hest in 1971 een eigentijds museumgebouw neerplanten aan de Deken van Oppensingel met ernaast een woning voor Maarten en Reina met één deur die hen rechtstreeks toegang geeft. Meteen het eerste Limburgse museum voor Moderne Kunst. 

Maar Maarten en Reina weten niet van ophouden, blijven veilingen aflopen en kunstenaars bezoeken, waardoor ze opnieuw een eigen collectie bijeen krijgen. De Stichting van het museum ontvangt uiteindelijk opnieuw een schenking. Voor Maarten en Reina houdt het daarmee op, hij overlijdt in 1991, zij volgt hem in 2008.

Maar als in 2017 blijkt dat het museumgebouw niet langer voldoet aan de klimaateisen voor het exposeren van kunstwerken, moet uitgekeken worden naar een nieuwe vestiging. Nu was het oude Venlose hoofd-postkantoor uit 1941 juist in 2009 gesloten en het lag bovendien net om de hoek.
Architectenbureau BiermanHenket uit het Noord=Brabantse Esch bij Boxtel mag beginnen aan een ingrijpende renovatie van het postgebouw. In 2019 kan de collectie beginnen te verhuizen naar zijn nieuwe onderkomen en op 1 september 2021 wordt het Museum Van Bommel-van Dam hier officieel geopend. Op het dak een gratis te bezoeken kunstvenster, dat intussen als naam ‘De Duikbril’ meekreeg. In het grote gebouw kunnen nu ook wisselende exposities van ander werk plaatsvinden.

Open: di.-vr. 10-16.30u., za.zo. en feestdagen 14-17u. Sommige feestdagen echter gesloten. 

Je kan er niet langs kijken, dat standbeeld midden op de Keulse Poort.

HEILIG HARTBEELD Keulse Poort
Wageninger August Falise maakt vanaf 1920 Heilig Hartbeelden voor tal van katholieke kerken. Een staande Christus met de stigmata (wonden van zijn kruisiging) op de zegenende handen en op de borst dat heilige hart. ‘Regi Suo Civers’ wil zeggen ‘De burgers aan hun koning’. Christus kijkt stadwaarts om de inwoners te beschermen. Op 5 juni 1921 is het beeld onthuld door Laurentius Schrijnen, bisschop van Roermond.

De Wageningse beeldhouwer Falise kreeg heel wat opdrachten van pater Titus Brandsma voor dit soort beelden. Maar hij is ook de maker van de beelden van schilder Jheronimus (Jeroen) Bosch in ‘s-Hertogen-bosch, filosoof/theoloog Thomas van Aquino in Nijmegen, priester-politicus Herman Schaepman in Tubbergen, architect Pierre Cuypers in Roermond en De Zaaier in zijn geboortestad aan de toenmalige Landbouwhogeschool, maar nu vrerplaatst naar een ander gebouw van de Wageningse universiteit.

De Keulse Poort loopt hier over in de Parade.

Een verdwenen beek
Vroeger heette deze straat Groote Beick. Die beek liep  gewoon in het midden door de straat met aan weerszijden smalle wegen. Door overkluizing verdween dat water onder de grond en ontstond de huidige brede straat. In de Franse tijd vinden daar militaire parades plaats, met een naamswijziging tot gevolg. 

We gaan echter niet verder de Parade op, maar direct linksaf, hoewel deze korte brede zijsprong ook nog Parade heet. Recht voor je zie je boven een poort een schildering. 

TIMPAAN NAPOLEON Parade. 
Deze afbeelding van de Franse keizer Napoleon Bonaparte en zijn gezellen, allemaal te paard, heeft alles te maken met het smalle zijstraatje rechts. Naar verluidt zijn Napoleon en zijn gevolg daar in 1804 op hun paarden doorheen gereden om zo een wachtende menigte te ontlopen, die de keizer wilde verwelkomen. Napoleons paard zou daarbij zelfs een hoefijzer hebben verloren in dit destijds nog grotendeels modderige gangetje.

Rechtsaf de smalle Keizerstraat in.

KEIZERSTRAAT
Je weet nu hoe die aan zijn naam komt, maar vraag de Venloërs niet naar de Keizerstraat, zij houden het bij Floddergats, letterlijk een modderig steegje, dat het lange tijd was.
Meteen kom je Bonaparte nog eens in vol ornaat tegen. Je mag eraan twijfelen of hij wel ooit dit weggetje heeft    genomen, maar een rechte, lange hoofdweg langs diverse Limburgse steden wordt nog steeds aangeduid als de Napoleonweg. Hij zou opdracht tot de aanleg hebben gegeven.

Kijk links: zo’n hek heb je nog nooit gezien !

KÖPKES Keizerstraat
De paters dominicanen laten dit hek optrekken om de muren van hun kapel te sparen van overlast en beschadiging. Beeldhouwer Ger Janssen wil daar iets karakteristieks met allure van maken. Samen met een werkgroep Floddergats zoekt hij naar iets echt Venlo’s en dat wordt het lokale dialect. Je ziet het hier op een humoristische wijze in beeld gebracht: bronzen kopjes geven lokale typetjes weer, hun namen in dialect staan erbij: Viègevraeter, Uulskuuke (domoor), Strónsmadam, Bäöksmoel, Potflaaj (ouderwetse vrouw), Slaajlip (dikke onderlip), Kiekedie, Toegeneide (gierigaard), Greek (zuurpruim), Waerheks, Gladjanus … Tussen deze hoofden staan Januskoppen die verwijzen naar Vastelaovond (vastenavond, carnaval) terwijl ze het goede en het slechte weergeven.

Waar twee delen van het hek met elkaar verbonden zijn, zie je bovenop de steunen kinderspelen, zoals vliegeren, zaklopen of bootje spelen.  Ronde reliëfs beelden oude Venlose zegswijzen uit: ‘Die het de dikke trom ingeslikt’ (zij is zwanger), ‘Sooije doet is gauw gedaon’ (haastige spoed is zelden goed).

Ger Janssen was twintig jaar bezig aan dit project. In 2020 is het laatste onderdeel geplaatst, een reliëf waarop een nar het coronavirus een schop onder zijn kont geeft, de ‘klets e weg’.

Even verder loop je rechts even een binnenplaats op.

BARTELSPLAATS 
Een kleine open plek terzijde van de Keizerstraat, waar in de 19de eeuw Bartels Maas een groothandel in koloniale waren had. Hier werden koffiebonen gemengd, gemalen en verpakt. Je ziet ze nu in maxiformaat op de grond liggen.

KOFFIEBONEN
Met deze grote aluminium koffiebonen verwijst Anna Berendsen naar die bezigheden van Bartels Maas. Geen toevallige keuze, deze in 1936 in Venlo geboren kunstenares is een nazaat van de familie Bartels.

Aan het eind van de Keizerstraat sta je op het Dominicanenplein.

DOMANI
Dominicanenplein
Vandaag wordt deze kapel gebruikt als cultuurpodium, waar zowel feesten, uitvaarten en carnavalszittingen plaatsvinden, maar ook burgerlijk getrouwd wordt.

Maar dit gebouw torst ook een flink verleden. Dat start in de 15de eeuw als de zusters augustinessen deze grote kapel laten bouwen naast hun destijds aanpalende klooster Mariaweide. Na een brand in 1747 wordt er tijdens het herstel vooraan nog een westportaal toegevoegd, zeg maar de huidige ingang.

Maar als de revolutionaire Fransen eind 18de eeuw een flink deel van de Nederlanden annexeren, worden de zusters buiten gezet, godsdienst strookt niet met hun nieuwe gedachtegoed. Deze kapel wordt na 1798 achtereenvolgens pijpenfabriek, zoutopslag en timmerwerkplaats.

Nieuwe spits, oude schilderingen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog overleeft de kapel de bombardementen op Venlo, maar de schade is niet min. Het gebouw wordt hersteld en gerestaureerd door Jules Kayser, wiens vader Johan we verderop gaan tegenkomen als stadsbouwmeester. Jules zorgt voor een nieuwe dakspits en voegt in één moeite twee lage zijbeuken en twee bijgebouwen toe. Achteraan in de kapel bleef een pijpenorgel bewaard en bij de restauratie zijn plafond-schilderingen uit het einde van de 15de eeuw aan het licht gekomen. Tussen 1956 en 1964 komen er nieuwe glasramen van de Rotterdamse kunstglazenier Jacques Vonck en van de Limburger Gilles Franssen.

Van nonnen naar paters
Die ingrijpende restauratie komt goed uit voor de paters dominicanen, wier nabije klooster Trans-Cedron diezelfde oorlog niet heeft overleefd, maar onherstel-baar verwoest is. Zij zijn dus maar wat blij wanneer ze deze kapel vanaf 1962 kunnen gebruiken. De Venlonaars gaan dan over de Paterskerk spreken. Het beeld voor de kapel verwijst ernaar.

DOMINICAAN
Opnieuw werk van Ger Janssen, maar ssst!, daar wordt niet luid over gesproken. Alhoewel, veel kwaad kan dat niet, want die dominicanen waren geen blijvertjes, ze zijn in 2005 alweer vertrokken. Een nieuwe restauratie in 2006-’07 maakte de kapel gereed voor Domani. Enkel een kleine devotiekapel herinnert nog aan dat kloosterverleden.

Wie intussen gecharmeerd is door werk van Ger Janssen slaat even rechtsaf de Nieuwstraat in voor huisnummers 32 – 30 – 16.

Hier zie je hoe Ger met schilderingen huizen een doorkijkje geeft naar onvermoede plekjes. Zouden ze bestaan?

Maar onze route gaat juist naar links als je met je rug naar de kapel staat, de anderen kant van de Nieuwstraat in.

Nieuwstraat is hier wel zeer betrekkelijk, de straat dateert uit 1391.

JOCUS MUSEUM Nieuwstraat 15
De Stichting Venlose Volkscultuur opent hier in januari 2017 een museum gewijd aan de Venlose ‘Vastelaoves’  (Vastenavond, carnavalsavond) en het in 1842 opgerichte Venloosch Vasteloaves Gezelschap Jocus, wellicht de oudste carnavalsvereniging van Nederland.

Het museum draait geheel op vrijwilligers en toont voorwerpen en affiches die te maken hebben met Vastenavond en de vereniging. Ook het archief van Jocus is hier raadpleegbaar en in een filmzaal worden films van diverse Vastenavondvieringen vertoond.

Intussen weet je al dat de haan het embleem van Jocus is. Die krijg je nog in koperen versie iets verder op je wandeling.

Wandel verder de Nieuwstraat door. We vertellen je een stukje historie van het lange gebouw links. 

MARIAWEIDE Nieuwstraat
Je ziet nu een nieuw gebouw dat zowat de hele linkerkant van de Nieuwstraat inneemt, maar in 1962 op de gewelven van een veel ouder klooster is opgetrokken. Het was toen bedoeld als nieuw dominicaner klooster, maar nu die paters alweer zijn vertrokken, zijn hier zes woningen, een hospice en het Toon Hermans Huis in ondergebracht. Dat laatste is een inloophuis voor (ex)kankerpatiënten en hun familie en bekenden.

De wei van Maria
Maar op deze plek stichten de zusters augustinessen vanaf 1413 hun klooster op terrein Den Wey, dat dan ook de naam Mariaweide krijgt. De nonnen zullen er eeuwenlang blijven. Maar het zijn weer diezelfde Fransen, die het christendom willen vervangen door hun Cultus van de Rede, die alle kloosterlingen uit hun gebouwen zetten. Maar het is uiteindelijk het bom-bardement op de Maasbruggen tijdens WO II, dat Mariaweide de genadeslag geeft.

Ga rechts de Kleine Beekstraat in en wandel die verder uit. Intussen vertellen we je het wedervaren van een belangrijk klooster dat hier een handvol eeuwen heeft gestaan.

TRANS-CEDRON
Zo heette het klooster dat in diverse uitvoeringen tot 1944 links heeft gestaan, waar je nu een kale muur ziet. Trans-Cedron betekent letterlijk ‘over de beek’ en vandaar ook Kleine Beekstraat.

Cellebroeders
Het zijn cellebroeders uit Maastricht die dat klooster in 1487 stichten. Maar een eeuw later, in 1587, verlaten ze hun klooster tijdens een bezetting van Venlo door het Staatse leger van de Verenigde Nederlandse Provinciën tijdens de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spaanse overheersing.

Franciscanen
De franciscanen uit Roermond nemen in 1599 hun plaats in. Zij blijven tot de Franse revolutionairen ook hen de deur wijzen en de gebouwen in privé-handen komen.

Dominicanen
Maar het zullen vooral Duitse dominicanen zijn, die hun stempel op Trans-Cedron drukken. Op de vlucht voor de Kulturkampf in eigen land, kopen zij in 1879 wat van het klooster rest van weduwe Schmasen, die er een pakhuis van had gemaakt. De dominicanen restaureren het restant en herbouwen verdwenen kloostervleugels.

College Albertinum
Ze richten een gymnasium op, het College Albertinum, waar vooral leerlingen uit Duitsland naartoe komen.
Wanneer na de Eerste Wereldoorlog hun ouders niet langer in staat zijn schoolgeld en internaatkosten te betalen, wordt dat Collegium in 1920 opgeheven, om rond 1927 weer te herrijzen.

Maar wat die eerste oorlog niet heeft klaargekregen, lukt bij Wereldoorlog Twee wel: de totale verwoesting van Trans-Cedron. Intussen weet je al dat de dominicanen nadien nog enige tijd in de nieuwbouw van Mariaweide hebben verbleven met gebruik van de naastliggende kapel.

Aan het eind van de Kleine Beekstraat zie je tegenover je op de hoek van de Grote Beekstraat en de Vleesstraat een stoel voor je gereed staan, noem het maar een troon. Wie al wat moeheid voelt, gaat even zitten en laat die foto maken.

(Die stoel is verplaatsbaar, dus misschien is hij juist naar elders. Maar er zijn twee van deze stoelen, dus uw kans op poseren is nog niet verkeken!)

Klik voor deel 2